Pete
Dit was zijn kamer niet.
Dit was niet het plafond boven zijn bed.
Hij voelde de gloeiend hete lava opborrelen in zijn borst en met een krampachtige beweging spuugde hij het uit.
Als hij hoestte, gingen er woeste golven van pijn door zijn lijf.
Hij was alleen nog maar zijn lichaam. Geen verre visioenen. Geen fluisterende stemmen. Alleen zijn door pijn verscheurde lichaam.
Het waaide om hem heen, maar hij had het nog steeds warm en hij wist niet hoe hij erbij moest komen, hoe hij het moest noemen. Hoe kon hij het wegwensen als hij niet wist wat het was?
Waar was zijn zus? Haar ogen waren weg. Hij was alleen. Alleen en gevangen in een lichaam dat hulpeloos bleef liggen, vanbinnen in vuur en vlam en vanbuiten koud, en een striemende wind en altijd het schurende geschraap van geluiden, de krassende zagen, het bombardement van felle, schreeuwende kleuren.
Een stem zo groot dat hij weg wilde rennen om zich te verstoppen, zei: ‘Waar is Asjtruh?’
Nat grind praatte, zwaaide, wankelde vervaarlijk alsof het zou vallen.
‘Asjtruh!’ brulde het monster. ‘Asjtruuuuh!’
Petes geest trok zich terug, zakte heel ver weg, vluchtte voor het lawaai, maar hij kon er niet aan ontsnappen. Voor de zoveelste keer hield zijn lichaam hem gekluisterd aan de echte wereld die voor hem nooit echt was geweest.
Het monster stampte weg, nog altijd schreeuwend.
Pete hoestte een vulkaan uit.
Hij moest iets doen. Zijn lichaam hield hem in zijn greep en zijn lichaam was pijn.
Langzaam raakte hij in paniek.
Hij moest… iets doen.